Programma 18-20 maart 2022

In het weekend van 18 maart 2022 speelt Sinfonia Rotterdam 3 concerten. Als aanvulling op het programma leest u hieronder een stuk geschiedenis over Saint Paul’s suite van Holst en de Holbergsuite van Grieg. 

Onderstaande teksten zijn geschreven door Han van Tulder.


Gustav Holst (1874-1934) – Saint Paul’s Suite, opus 29.2

Wat voor landsman was de componist Gustav Holst? De vermaarde schepper van het bekende orkestwerk ‘The Planets’. Zijn (voor)naam doet veronderstellen dat hij een Duitser was. Dat is slechts zeer gedeeltelijk het geval. Holst stamt weliswaar uit een muzikale familie met Duitse voorouders, maar hij is geboren en getogen in het Engelse Cheltenham. Begin 19e eeuw verkaste de familie Holst vanuit Riga naar Engeland. De jonge Gustav leek in de wieg gelegd voor een carrière als concertpianist. Als gevolg van een hardnekkige  zenuwontsteking in zijn rechterarm moest hij die ambitie echter opgeven. Dan maar dirigent en componist worden, moet hij gedacht hebben. En zo geschiedde. In 1895 maakte hij kennis met Ralph Vaughan Williams, een musicus met grote belangstelling voor de rijke Britse volksmuziektraditie. Dat bleek aanstekelijk. “In dat genre ligt mijn toekomst”, zo meende de componist. Toch heeft Holst niet zoveel roem geoogst met zijn pastoraal getinte werken als met zijn ‘Planets’. Behoudens ‘de ‘Saint Paul’s Suite’ worden werken als ‘The Cotwalds’ Symphony’, ‘The Brook Green Suite’ en ‘A Summerset Rhapsody’ slechts sporadisch uitgevoerd. 

“De gelukkigste tijd in mijn leven” –  zo verklaarde de componist aan zijn dochter Imogen Holst – “waren de jaren dat ik als muziekleraar werkzaam was op St. Pauls’s Girls’ School in Hammersmith, London”. Tot zijn grote vreugde opende in 1913 de school een nieuwe muziekvleugel aan het gebouw. Hij kon daar niet alleen zijn lessen verzorgen, maar op zondagen, wanneer het gebouw leeg was, ook in alle rust gaan zitten componeren. En gedurende de hele maand Augustus, tijdens de zomervakantie als de school gesloten was, had hij het daar maar liefst 31 dagen lang het rijk alleen. De eerste compositie die in de muziekvleugel  tot stand kwam was de ‘Saint Paul’s Suite’ bestemd voor het schoolorkest. In de oorspronkelijke versie bevatte de partituur naast strijkers ook partijen voor blazers, zodat zoveel mogelijk leerlingen aan de uitvoering konden meedoen. Later, bij de publicatie in 1922, werd de definitieve bezetting teruggebracht tot alleen strijkers. 


De Suite heeft vier delen

  1. Jigg (Vivace), gebaseerd op een robuuste countrydance. Een contrasterend thema wordt later toegevoegd en ingenieus vervlochten tot een wervelend geheel. 
  2. Ostinato (Presto), rennen, rennen, nog harder…
  3. Intermezzo (Andante con moto – Vivace), pizzicati begeleiden de solo viool (later in duet), totdat het pastorale karakter de muziek tot een meeslepende apotheose voert.
  4. Finale: The Dargason (Allegro), begint zachtjes met dit volksliedje, later gevolgd door het welbekende ‘Greenleaves’. Een gevarieerd feest der herkenning!  


Edvard Grieg (1843-1907) – Suite ‘Uit Holbergs tijd’, opus 40 

Grieg in 18e-eeuwse vermomming. Zo kan deze ‘Suite in oude stijl’, geschreven in 1884 ter gelegenheid van de 200srte geboortedag van de Noors/Deense metafysicus Ludvig Holberg (1684-1754), worden getypeerd. Ludvig Holberg, afkomstig uit Bergen, was niet alleen een geleerde van internationale reputatie, maar bovenal een populaire schrijver van komedies. Edvard Grieg, eveneens afkomstig uit Bergen, kreeg het verzoek de feestelijkheden op te luisteren met een cantate en een suite. De officiële benaming van de suite, ‘Uit Holbergs tijd’, geeft exact aan wat de componist voor ogen stond: muziek met een Frans classicistische inslag, zoals Holberg die tijdens zijn leven moet hebben gekend en geapprecieerd. Een pastiche van balletachtige dansen, zoals door componisten als Couperin, Lully, Rameau (en ook Bach) in de periode van de Franse Lodewijken (XIV, XV en XVI) werden gecomponeerd, gegoten in een eigentijds (dat wil zeggen 19e-eeuws) jasje.

Het openingsdeel, Prelude, is een soort perpetuum mobile, bruisend van vitaliteit en esprit. Misschien heeft Grieg wel een persiflage voor ogen gehad van een barokke gezelschapsdans, uitgevoerd door keurige, voor de gelegenheid bepruikte dames en heren uit het toenmalige Bergse establishment. Hijgend van al het frivole getrappel worden de laatste stappen gezet. In het tweede deel, Sarabande, maakt luim plaats voor ernst. Het is een statige dans in een gedragen tempo, met een middendeel in mineur. De gracieuze Gavotte bevat een volksachtige ‘musette’, die klinkt alsof op een draailier wordt gespeeld. De Air is een van de mooiste melodieën die ooit uit Griegs pen zijn gevloeid, zonder overdrijven op één niveau te stellen met Bachs beroemde Air uit de 3e orkestsuite. Het guitige slotdeel, Rigaudon, is een lichtvoetige dans, gespeeld in de stijl van zo’n ‘Hardanger fele’, met een quasi melancholiek trio als intermezzo.