Programmatoelichting Burlesque Volksmuziek met Maxim Vengerov

Op 22 september speelt Sinfonia Rotterdam, onder leiding van Conrad van Alphen met meesterviolist Maxim Vengerov Burlesque Volksmuziek.

Voor Sinfonia Rotterdam is het een grote eer te spelen met één van ’s werelds beroemdste violisten. De uitgebreide toelichting op de composities, geschreven door Han van Tulder, leest u hieronder.

  • Sjostakovitsj
    Festive Overture, op.96
  • Brahms
    Vioolconcert, op.77, D majeur
    I. Allegro non troppo
    II. Adagio
    III. Allegro giocoso; ma non troppo vivace
  • Tsjaikovski – Symfonie nr. 1 op.13, G mineur (Winterdreams)
    I. Daydreams on a Winter Journey: Allegro tranquillo
    II. Land of Gloom, Land of Mist: Adagio cantabile ma non tanto
    III. Scherzo: Allegro scherzando giocoso
    IV. Finale: Andante lugubre; Allegro moderato; Allegro maestoso

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) – Feestelijke ouverture, opus 96 

Majestueuze fanfares openen deze gelegenheidscompositie van Sjostakovitsj. Dit stuk werd voor het eerst in Moskou uitgevoerd ter gelegenheid van de 37e verjaardag van de Oktoberrevolutie. Wonderlijk genoeg is de muziek ontleend aan een pianostukje met de naam verjaardag.  Dit stuk maakte al in 1945 deel uit van de suite Children’s Notebook, geschreven voor het jarige dochtertje Galina van de componist. Na de fanfare volgt een wervelende Russische dans. Een contrasterende melodie is het derde muzikale element in dit populaire sovjet-amalgaam van goed in het gehoor liggend socialistisch realisme.


Johannes Brahms (1833 – 1897) – Vioolconcert in D, op. 77

  • I. Allegro non troppo, II. Adagio, III. Allegro giocoso; ma non troppo vivace

De muziek is voor Brahms doen tamelijk opgewekt en toegankelijk. Het zonnige eerste deel, Allegro non troppo, opent met een langzame inleiding waarin al het thematische materiaal wordt geëxposeerd. Na een lyrisch thema horen we een majestueus tweede thema, warmbloedig en voornaam, met het nodige temperament gebracht. De solist verkent geruime tijd de nootjes voordat hij/zij de lyrische melodie uit de inleiding oppakt. Let op hoe meesterlijk Brahms in het vervolg met de thema’s en de samenstellende motieven en motiefjes aan het werk gaat. Het deel eindigt met een grote cadens voor de solist. In het tweede deel, Adagio, moet de solist – als gezegd – de honneurs delen met de hoboïst. De finale, Allegro giocoso, ma non troppo vivace, is een op Hongaarse leest geschoeid rondo.


Pjotr Iljitsj Tsjaikovsky (1840-1893) – Symfonie nr.1 in g, opus 13 ‘Winter dagdromen’

I.Allegro tranquillo II.Adagio cantabilema non tanto III. Scherzo: Allegro scherzando giocoso IV. Finale: Andante lugubre. Allegro

Tchaikovsky zou in de voetsporen zijn getreden van amateuristische vakbroeders als Mussorgsky, Rimsky-Korsakov en Borodin,  die componeren als nevenbaan uitoefenden, ware het niet dat Anton Rubinstein hem in 1863 in staat stelde te gaan studeren aan het door hem recent opgerichte conservatorium van Sint Petersburg. Drie jaar later trad de zesentwintig jarige Tsjaikovsky toe tot de staf van het nieuwe conservatorium, dat Antons broer Nikolaj in Moskou had gesticht.

Na zijn afstuderen begon Tsjakovsky in 1866 aan het componeren van de eerste versie van zijn eerste symfonie, daartoe aangemoedigd door zijn mentor Nikolaj Rubinstein. Terug in Sint Petersburg legde hij de partituur voor aan zijn vroegere leermeesters Anton Rubinstein en Nikolaj Zaremba. In plaats van applaus oogstte de nog onzekere componist louter negatieve reacties. Gekwetst trachtte hij zijn voordeel te doen met hun raadgevingen, maar hij kreeg er slapeloze nachten en hallucinaties van. Pas in 1874 slaagde Tsjaikovsky erin een bevredigende revisie te voltooien. Die tweede versie wordt gespeeld.

De titel Winterdreams (winter dagdromen) gaf de componist zelf aan de eerste twee delen van het werk. Slaapverwekkend zijn de thema’s van het Allegro tranquillo zeker niet. Wel dromerig is het steeds terugkeren van passages, zonder – als in een onrustige droom – tot een afronding te komen.

Uit een schemerige intro van de violen klinkt het hoofdthema. Het Russische neventhema wordt door de klarinet geïntroduceerd. De voortzetting van het deel volgt de karakteristieken van de sonatevorm (doorwerking en reprise).

Het tweede deel, Adagio cantabile ma non troppo, gaf Tsjaikovsky het bijschrift land van verlatenheid, land van nevel mee. Nu geen trompetgeschal en paukenroffels. De zoetgevooisde strijkers voeren de boventoon en de hobo blaast een melancholieke melodie. Een dreigende hoornfanfare symboliseert een overdrijvend onweer.

Voor het Scherzo maakte de componist gebruik van een eerder gecomponeerde pianosonate in cis uit 1865. Met een nieuw walsachtig trio daaraan toegevoegd. Vluchtige muziek, niet uitgesproken luchthartig. De Finale begint met een Andante lugubre. Catacombemuziek. Dat is voorspel tot een daverend slot, uitbundig volks gehos en gestamp. Burlesque!


Met dank aan: Han van Tulder (hanvantulder.nl)